header-1

Familie

DE PIETERTAK

 

De “Pietertak” is honderd jaar lang nauw verweven geweest met de Enschedese textielfabriek Ter Kuile Cromhoff. Pieter ter Kuile (1826-1898), de stamvader van de Pietertak en tevens een van de eerste firmanten van Ter Kuile Cromhoff, stamde al uit een Twentse fabrikeursfamilie. Eerdere Ter Kuiles waren generaties lang als boeren en handelaars woonachtig op het erve “De Kuhlboer” in Buurse. Pieter’s voorvader Jan ter Kuile vestigde zich in 1739 vanuit Buurse echter als koopman in linnen en tabak in Enschede. In deze (dan nog kleine) stad zou zijn zoon Engelbert de fabrikeursfirma E. ter Kuile en Zoon oprichten. Fabrikeurs waren handelaars in textiel die op boerderijen doek lieten weven, om vervolgens de aansluitende eindbewerkingen, zoals bleken, in eigen hand te houden. In de 18e en begin van de 19e eeuw lag de nadruk daarbij op bombazijn, een sterke stof van linnen en katoen, waarvan bijvoorbeeld werkkleding en onderkleding werd gemaakt. De productie van volledig katoenen stoffen kwam pas op a de afscheiding van België in 1830. De Nederlandsche Handel Maatschappij zocht toen naar nieuwe Nederlandse producenten van “katoentjes” voor de Indische markt en zij schakelde onder andere de Engelsman Thomas Ainsworth in om de Nederlanders de moderne weeftechnieken te leren “upon the very best English principle”. Ook Enschedese producenten, zoals de firma G. Cromhoff van voorvader Gerrit Cromhoff (1744-1824), schakelden toen over op katoen.

 PIETERTAK FOTO 1

Pieter ter Kuile (1826-1898)

 

Stamvader Pieter was de oudste zoon van Engbert ter Kuile en Fenna Christina Anna Cromhoff. In 1854 trouwde hij op 28-jarige leeftijd met de zeven jaar jongere Hendrika Hermanna Cromhoff, zijn volle nicht. Tezelfdertijd werd hij firmant bij G. Cromhoff, het bedrijf van zijn schoonvader Herman, de zoon van Gerrit Cromhoff. Later zou Pieter zijn vader’s bedrijf, dat honderd jaar eerder door Engelbert ter Kuile was opgericht, ook in de firma G. Cromhoff inbrengen.

 

Pieter’s leven valt samen met de overgang van de Twentse textiel van de pré-industriële fase (gekenmerkt door huiswevers op boerderijen) naar het industrietijdperk, toen de stoomweverijen opkwamen. In 1866 kwam het spoor naar Enschede. Hierdoor werd de aanvoer van steenkool en de afvoer van afgewerkte producten goedkoper. Tegenover het nieuwe spooremplacement, buiten de bebouwde kom van de toen nog kleine stad, liet de firma G. Cromhoff (met Pieter als firmant) in datzelfde jaar een stoomweverij bouwen. Voor het ontwerp van de gietijzeren fabrieksconstructie tekende de firma Niermans, die later in Frankrijk succesvol zou zijn en onder meer het Trocadéro in Parijs ontwierp. Na het respectieve overlijden en uittreden van zijn twee Cromhoff compagnons in 1876 en 1878 zette Pieter de firma alleen voort, ditmaal onder de naam “Ter Kuile Cromhoff”. Sindsdien heette de fabriek in de volksmond ook wel “Piet ter Koele”.

 

Hendrika en Pieter, bijgenaamd “de schoo” vanwege zijn grote schoenmaat, woonden met hun vier kinderen aan de Stroomarkt, het latere kruispunt De Graaff. Het huis was daar na de grote stadsbrand van 1862 herbouwd. Even buiten de stad bezat Pieter de boerderij “’t Zwik”, waar hij een buitenhuis liet neerzetten. Het huis bestaat nog steeds als Thorbeckelaan 1, in de nieuwe wijk ’t Zwik.

 

De drie zonen van Pieter - Engbert, Herman en Chris - werden in 1889 alle drie firmant van Ter Kuile Cromhoff. Herman was in 1884 getrouwd met de Winterswijkse Anna Catharina Willink en Chris in 1888 met zijn verre nicht Sara Margaretha ter Kuile. Engbert zou ongehuwd en kinderloos blijven. Hun eveneens ongetrouwde zuster Gezina Gerarda, het jongste kind van Pieter en Hendrika, zou in het ouderlijk huis blijven en daar na het overlijden van Pieter en Hendrika tot aan haar eigen dood in 1934 wonen.

 

Ondanks de wereldwijde laagconjunctuur die de hele industrie tussen 1873 en 1895 parten speelde, werd de fabriek in die jaren (ca 1880) flink uitgebreid, met een indigo-blauw-ververij, een blekerij, een garenspinnerij en een kantoor met magazijn. Niettegenstaande de ambitie die hieruit spreekt, was het ook een gemoedelijke tijd. Bij Ter Kuile Cromhoff kwam ’s ochtends bijvoorbeeld de scheerbaas in het firmantenkantoor de firmanten scheren, daarna eventuele klanten, en vervolgens kwamen de boekhouder en de bazen aan de beurt, om te eindigen met de stoker. Een andere anekdote betreft een klant die, uiteraard met de trein komend, vlak voor 12 uur te horen kreeg dat de heren Ter Kuile eerst gingen eten en dat hij maar om twee uur terug moest komen. Klanten werden overigens maar één keer per jaar door een firmant bezocht. Op zo’n rondreis moest Herman ter Kuile een keer met de textielagent Tepe in Groningen overnachten. De avond werd doorgebracht met biljarten en veel jenever. Echter zonder effect. Beiden bleken van tevoren de kastelein te hebben opgedragen de ander jenever, maar hem zelf water te schenken!

 

De voertaal tussen de firmanten en uiteraard ook verder in het bedrijf bleef tot aan 1950 het Nedersaksisch, in de wandeling “plat” genoemd. Dat was aanleiding voor Chris ter Kuile, een markante figuur, om een bode van de Twentsche Bank weg te sturen. Toen de bankdirectie liet navragen wat er aan de hand was antwoordde Chris dat, als ze zaken wilden blijven doen, ze mensen moesten sturen die “plat” konden spreken.

 

Tussen 1895 en 1914, de “belle époque”, was er sprake van en wereldwijde economische bloei. uit die tijd stamt de het volgende gezegde uit Lancashire: “who cannot make money out of cotton is mentally deficient”. Ook bij Ter Kuile Cromhoff gingen de zaken goed, en de firmanten zetten een deel van de winst om in Twentse landerijen, getuige bijvoorbeeld het door Herman in 1901 gekochte en nog steeds in de familie zijnde buiten “Duivendal” in de Lutte en het door Chris gekochte buiten “De Vieker”.

 

Verdriet en zorgen waren er ook: stamvader Pieter stierf in 1898, in 1912 gevolgd door zijn kinderloze zoon Engbert, wiens weduwe aanspraak had op een derde van het firmavermogen, dat dus door de twee overgebleven broers moest worden opgebracht. Herman had zich voorts borg gesteld voor zijn zwager Gerrit Jan Willink, die in Winterswijk een tricot-fabriek was begonnen die jarenlang slecht presteerde. Hij heeft zich daar zoveel zorgen over gemaakt dat ook de huidige generatie nog door zijn kleinkinderen is ingeprent om wel drie maal na te denken alvorens persoonlijk voor iemand borg te staan. Naast financiële zorgen bracht het contact met de familie in Winterswijk echter ook veel plezierigs. De twee zoons van Herman, Piet en Hendrik, kwamen er in hun jeugd, voor 1914, vaak. Zij maakten er dan een sport van om te proberen op hun Douglas motorfietsen met losse handen van Enschede naar Winterswijk te rijden! De familie is nog steeds nauw met Winterswijk verbonden: door vererving van de Willink voorouders is het monumentale landgoed “Den Schooten” in het bezit gekomen van opeenvolgende generaties Ter Kuiles.

 

Piet en Hendrik vormden samen met Hein, de zoon van Chris, de volgende generatie die de textieltraditie zou voortzetten. Inmiddels gold een degelijke (buitenlandse) scholing daarvoor als een vereiste: Piet en Hendrik zouden in Reutlingen en Lancashire de kneepjes van het vak leren. Piet en Hein bleven beiden ongetrouwd. Hendrik daarentegen trouwde nadat hij werd gedemobiliseerd in 1918 met Catharina Judith van Heek (“Judith”), waarmee de familie zich lieerde met de Van Heeks van de Teessink tak. Judith was een dochter van Hendrik van Heek (“Henny”) die mede-oprichter en jarenlang directeur was van de Boekelose Stoomblekerij, en een kleindochter van Gerrit Jan van Heek, de drijvende kracht achter Van Heek & Co. Voorvader Henny moet een sportieveling zijn geweest: in elk geval maakte hij in 1885 deel uit van het eerste voetbalelftal in Nederland, nadat zijn broer Jan Bernard van Heek in Engeland had kennisgemaakt met dit voor Nederland nog onbekende spel. De Van Heeks introduceerden op deze wijze het voetbal in Nederland.

 

Na de Eerste Wereldoorlog werden Piet, Hendrik en Hein gedrieën firmant van Ter Kuile Cromhoff. Met name door de inzet van de nog jeugdige Hendrik werd, met behulp van een grote lening van de Twentsche Bank, het bedrijf
grondig aangepakt en uitgebreid. In deze periode, het interbellum, werd de oudste thans (deels) nog levende generatie geboren, bestaande uit de vier kinderen van Hendrik en Judith en de drie kinderen van Chris’ dochter Hendrika Hermanna ter Kuile, die getrouwd was met Pieter van Delden. Zij maakten de hoogtijdagen, maar ook de neergang van de Twentse textiel mee. Tezelfdertijd verbonden zij zich gaandeweg via vriendschappen en huwelijken met families uit andere delen van het land (en elders), zodat met de jaren de band met Twente
losser werd – maar nooit verdween.

 

Ter Kuile Cromhoff richtte in deze nieuwe tijd van auto, radio en vliegtuig, de blik ook op de grotere wereld: was Nederlands-Indië traditioneel een belangrijke afzetmarkt, in 1924 kwam daar Argentinië bij. De aanleiding daartoe was een jonge Amsterdammer, Spinoza Catella, die, geheel platzak uit het station komend, het er tegenover liggende kantoor van Ter Kuile Cromhoff binnenviel. Het bleek dat hij door zijn vader met Fl. 1000.- naar Zuid-Amerika was gestuurd maar dat hij dat geld onderweg in Parijs verbrast had. Hij moet een enorme overredingskracht bezeten hebben - en de Ter kuiles moeten een goede neus voor zakenkansen hebben gehad: ze leenden hem Fl. 300,-, wat in die tijd een fors bedrag was. En ondanks het feit dat Chris, toen de jongeman de deur uit was, verzuchtte “Dat geld b’w kwiet!”,  kwamen er tot verbazing van de firmanten na enkele maanden ineens orders uit Buenos Aires binnen. Volgens de verhalen is de handel met Argentinië een van de redenen geweest dat Ter Kuile Cromhoff de crisis van de jaren ’30 goed heeft doorstaan en als enige Twentse textielfabriek steeds winst is blijven maken. De Argentinië connectie heeft decennia lang bestaan: in de 50-er jaren zijn Hendrik en Judith nog op uitnodiging van de heer Spinoza Catella met de boot naar Argentinië geweest, om de jarenlange zakelijke relatie ook nog eens persoonlijk te bestendigen.

 

De Tweede Wereldoorlog was voor de Pietertak en de met haar verbonden fabriek een moeilijke tijd. Een aantal naaste familieleden moest onderduiken, of werd opgeroepen voor dwangarbeid in Duitse fabrieken. De productie van Ter Kuile Cromhoff werd daarnaast in 1942 geheel stilgelegd, nadat de firmanten hadden geweigerd om voor het Duitse oorlogsapparaat te gaan werken. In 1943 en 1944 werd Enschede een aantal maal per abuis door de geallieerden gebombardeerd. De fabriek ontkwam echter aan de bommen. Des te zuurder was het dat deze in de bevrijdingsdagen van 1945 alsnog door een Duitse soldaat in de brand werd gestoken. Met veel kunst- en vliegwerk was de weverij in 1947 herbouwd, op tijd om te profiteren van de goede jaren ’50, wanneer Ter Kuile Cromhoff steeds meer bontgeweven stoffen ging produceren en bijvoorbeeld tien jaar lang de enige fabrikant van denim-stoffen in Nederland was.

 

De nieuwe generatie zou in 1951 het stokje overnemen, toen Herman ter Kuile (1922-2008), de zoon van Hendrik, de leiding over de fabriek kreeg. Zijn leeftijdsgenoten (broer, zussen, neven en nichten) kozen echter al overwegend voor een leven buiten de textiel, en soms ook buiten Twente. Zij waren allen nog wel getuige van enkele topjaren voor “hun” fabriek, maar na 1964 kwam de klad er snel in. Zoals door Herman al voorspeld in zijn doctoraalscriptie “De Toekomst van de Nederlandse Textielindustrie” (1947), leidden loonexplosies en de sterkere buitenlandse concurrentie tot een snelle verslechtering van de markt voor de Twentse textiel. Nadat de Van Heek Groep in 1967 de poorten moest sluiten besloot de directie van Ter Kuile Cromhoff om het onheil voor te zijn en tot gecontroleerde sluiting en liquidatie over te gaan. Het personeel kon hierdoor een door de vakbonden gunstig beoordeelde afvloeiingsregeling worden aangeboden, terwijl het in de fabriek aanwezige kapitaal voor de familie behouden kon blijven. Zo kwam, in een periode dat de familie steeds meer de voorouderlijke Twentse grond verliet, een einde aan 200 jaar textiel-activiteiten onder de naam Ter Kuile.

Ookal is de fabriek als bindende factor verdwenen, de nauwe familiebanden, alsook de verbondenheid met Twente, zijn blijven bestaan. Het gaat niet aan om verhalen over nog levende familieleden nu al aan het papier toe te vertrouwen, maar waar zij ook ter wereld wonen, in hen leven de verhalen en tradities van de eerdere Ter Kuiles voort. Jaarlijks komen de huidige generaties, waaronder meerdere Pieters, Hendriken, Judiths en Catharina’s, bijeen op Duivendal - in 1901 gebouwd door betovergrootvader Herman – en heffen er het glas op de Pietertak.